Ook al zou je me de weg versperren, ook al zou je in mijn ogen kijken, ik loop je voorbij, langs een afgrondrand nog dunner dan een haar.
Ik zal je nog vaak tegenkomen met je knipperogen. Kom maar op. Ik vreet bliksemstralen. Ik wijk niet van mijn pad. Voor niets en niemand. Voor geen man, voor geen vrouw. Voor geen golf, voor geen zee. Voor geen geld, voor geen goud. Voor geen millimeter.
Ja. Er zullen dagen komen. Ze zullen gaan lopen, rennen, fietsen. Ze zullen gaan rolschaatsen, en vallen. Ze zullen gaan voetballen, en verliezen. En ik zal putten dempen en wonden likken.
Ze zullen stiekem roken, te laat thuiskomen, of niet. Ze zullen gekwetst worden. Hun harten zullen breken. Ze zullen verdrietig zijn. Wanhopig. Ik zal duizend doden sterven. De hemel afspeuren naar vallende sterren en de scherven bij elkaar vegen.
Ze zullen dromen. Ze zullen opstaan en de deur uitgaan. Ze zullen gaan. Ik zal ze brieven sturen met bankbiljetten en goede raad. Ik zal misschien te veel, en bang zijn dat ik niet genoeg. Ik zal niet slapen, en ik zal slapen en van ze dromen. Ik zal oud worden en ouder. Ik zal niet meer langs een rand kunnen lopen. Maar haal je niks in je hoofd. Ik zal altijd zijn wat ik vanaf nu ben. Een moeder.
Ook al zou je me de weg versperren, / ook al zou je in mijn ogen kijken, / ik loop je voorbij, langs een afgrondrand nog dunner dan een haar.
Wisƚawa Szymborska, LANDSCHAP (uit de dichtbundel Einde en begin, p.102)