DE VEERMAN

Wanneer het kabbelende water door de eerste zonnestralen werd aangeraakt, stond ik al langs de oever. Roerloos, soms op één poot. Water en wind speelden een onschuldig spel. Ik las de breking van het licht op de zacht deinende golven en greep mijn vis.

Ook de veerman daalde voor de ochtendschemering af naar de rivier. Hij rammelde met zware kettingen, het kletterende geluid van staal op steen dijde vanaf de overzijde uit als een onzichtbare, pulserende ring. Het golfde over het water tot voorbij mijn visgrond, en aan de wallekant van de veerman weerkaatste het tegen de huizen in de smalle straten van het dorp dat zo vroeg nog sliep.

De pontbaas en ik, wij hielden elkaar in het oog. Voor hij ’s ochtends het stuurhuis binnenging stak hij zijn hand naar me op. Aan het eind van de dag groette hij weer, als hij de pont voor de laatste keer tegen de wal legde en ik opsteeg uit het hoge gras om mijn plek in de wilg op te zoeken.

Op een dag zag ik de veerman een groepje vaste passagiers overzetten, toen de wind vanuit de verte een onbekend geluid meevoerde – soms diep, soms scherp. Het kroop als een adder over de velden, steeds dichterbij.

Al gauw nam het bezit van het leven langs de rivier. Bij tijd en wijle was het dreigende geluid verdwenen, maar de stilte die ervoor in de plaats kwam, bracht geen rust. In die stilte trokken de mensen hun hoofden op hun korte nekken nog dieper tussen hun schouders.

Zo gingen jaren voorbij, tot op een ochtend vanuit het dorp het dof roffelende getrampel van honderden voetstappen over het water weerklonk. In de bocht van de weg verschenen stampende zwarte laarzen, en daarachter een lange stoet van mannen en jongens, bange gezichten. Onder barse bevelen uit grauwende muilen daalden de dorpelingen af naar de pont. Met angstige blikken vanonder hun petten stapten ze aan boord. Het veer stroomde vol. De veerman zette de eerste voetgangers over. De lege pont voer terug. De volgende groep ging aan boord, de pont voer naar de overkant. Toen alle mannen overgezet waren trok de stoet verder, oostwaarts. De veerman keek ze na, schuilend achter zijn opgeslagen kraag. Die avond vertrok hij zonder een blik naar de overzijde, de oever waar ik had plaatsgenomen tussen takken van de kalende wilg.

De ochtend daarop groette hij me weer, zijn hand een vraagteken in de heiige schemering. Uren later, de zon was juist via de punt van de kerktoren omhoog geklommen, daalde opnieuw een stoet mannen af over de weg van het dorp naar het veer. De veerman boog zijn hoofd, voer heen en weer, heen en weer, tot alle mannen opgehaald waren en aan de overkant van de rivier achter de horizon verdwenen. De avond viel, de veerman vertrok.

Diep in de nacht keerde hij terug. In het donker waadde hij tot zijn knieën in het koude, zwarte water. Onder het vale licht van de maan gooide hij de kettingen los die over de tandwielen liepen, ontkoppelde de veerpont en stapte aan boord. Het schip dreef weg van de kade. De veerman stond rechtop, midden op het dek. Hij liet zich meevoeren met de stroom. Met opgeheven hoofd deinde hij de vuurlinie tegemoet. Ik steeg op uit mijn boom en vloog achter hem aan.

Echo’s ploften links en rechts in de vette klei langs de oevers, vuurballen schitterden in de donkere golven, en aan weerszijden van de rivier trilde een onzichtbaar monster, ratelend en fluitend en vonken spuwend. En in het midden van dat alles tolde de pont, als een baken, wervelend door de nacht.

De veerman hief zijn hand voor de laatste maal toen ik met een grote boog over hem heen zweefde om terug te keren naar mijn plek aan het water, bij het dorp dat stil zou ontwaken.