Haar voeten waren koud. Er was niemand om ze aan te warmen. Geen benen naast haar. Geen benen om mee in de knoop te raken. Geen schenen om tegen te schoppen.
Ze probeerde haar voeten warm te wrijven met haar handen. Net als toen ze een jonge vrouw was. Eigenlijk mocht ze toen niet over haar voeten wrijven. Je mocht jezelf niet aanraken. Iemand anders mocht het zeker niet, over haar voeten wrijven. Maar Jezus waste de voeten van zijn leerlingen, en liet een vreemde vrouw zijn voeten kussen.
Twaalf jaar lang was zij een bruid van Jezus geweest. Ze had lang getwijfeld voor ze bij hem wegging. Sindsdien deed ze niet meer aan twijfel. Ze vond een man. Hij warmde haar voeten en schonk haar een kind.
Haar voeten waren koud als was het winter. Ze dacht aan de winters van vroeger. Aan te voet door de sneeuw naar school. Aan de dichtgevroren rivier, waar ze niet op mochten van vader. Denk erom, je waagt het niet!
Ze moest plassen. Zittend op de rand van het bed trok ze antislipsokken aan.
Haar voeten waren koud.
Marian Engel, BEER (p.28)