Categorieën
beginzin

POSEREN

Die klootzak denkt dat hij ons wel aankan, zei mijn vader. Ik weet niet meer over wie het ging (een wethouder, de voorzitter van een of ander bestuur?) maar hij had klaarblijkelijk met iemand een conflict.

Een paar uur later zit ik met de studiegenoot die ik meenam naar mijn ouders in de bus terug naar Tilburg. Volgens mij is jouw vader zelf net zo’n klootzak, zegt hij.

Ze hadden samen voor mij geposeerd, achter in de tuin. Daar stonden ze, de jongen met een opgezette gaai in de hand boven zijn hoofd, mijn vader naast hem, zijn accordeon hoog tegen zijn borst geklemd. Beiden breeduit grijnzend.

Ik herinner me een ander moment, een paar jaar voor de fotosessie. Als het echt niet meer gaat, heb ik dit nog, zei mijn vader terwijl hij zijn spuit tot het juiste streepje liet vollopen met insuline. Over de psychiater waar hij in die periode een of twee keer naartoe ging, zei hij: Die klootzak begrijpt er toch niks van. Ik knikte. Ik was zestien. Ik had geen idee dat ik dat in de komende veertig jaar nog vaak zou doen; knikken, in plaats van zeggen: Nee! Ik ga hier niet in mee.

Sommige mensen schoppen om zich heen, slaan van zich af. Misschien omdat ze zelf gekwetst zijn.

Ik schrijf, en daarbij heb ik een leidraad – een typering die ik las over het werk van Denis Johnson, een schrijver die ik erg bewonder. De regel hangt niet aan de muur boven mijn bureau en kleeft ook niet op een post it aan mijn laptop; hij licht op in mijn brein wanneer ik schrijf:

TO KISS THE BROKENNESS THAT WE SHARE


Die klootzak denkt dat hij ons wel aankan, zei mijn vader.

De beginzin van dit stukje komt van een andere bijzondere schrijver, David Vann,
uit zijn roman GOAT MOUNTAIN (p. 236).