Categorieën
beginzin

OPNAME

Ik ben te moe,
te in de war,
steeds vaker de laatste tijd.

er is iets met de klok
de tijd staat stil
op woensdag
om tien voor vier denkt ze
dat het bezoekuur voorbij is
zonder bezoek
al twee dagen
is het maandag
of al twee maanden?

in no time
lazert mijn moeder
door de mazen van de tijd
en op de vloer naast het bed
geen grond meer
onder de antislipsokken

steunkousen
probeert ze op een papiertje
maar haar hand beeft zoals
de tijd beeft en schokt

de klok staat stil
men vervangt
de batterij en de tijd
glijdt voorbij als de zon
dag
ik sluit het gordijn
voor het telraam

Ik ben te moe, te in de war, steeds vaker de laatste tijd.

Jeroen Brouwers, CLIËNT E. BUSKEN (p.128)

Categorieën
beginzin

POSEREN

Die klootzak denkt dat hij ons wel aankan, zei mijn vader. Ik weet niet meer over wie het ging (een wethouder, de voorzitter van een of ander bestuur?) maar hij had klaarblijkelijk met iemand een conflict.

Een paar uur later zit ik met de studiegenoot die ik meenam naar mijn ouders in de bus terug naar Tilburg. Volgens mij is jouw vader zelf net zo’n klootzak, zegt hij.

Ze hadden samen voor mij geposeerd, achter in de tuin. Daar stonden ze, de jongen met een opgezette gaai in de hand boven zijn hoofd, mijn vader naast hem, zijn accordeon hoog tegen zijn borst geklemd. Beiden breeduit grijnzend.

Ik herinner me een ander moment, een paar jaar voor de fotosessie. Als het echt niet meer gaat, heb ik dit nog, zei mijn vader terwijl hij zijn spuit tot het juiste streepje liet vollopen met insuline. Over de psychiater waar hij in die periode een of twee keer naartoe ging, zei hij: Die klootzak begrijpt er toch niks van. Ik knikte. Ik was zestien. Ik had geen idee dat ik dat in de komende veertig jaar nog vaak zou doen; knikken, in plaats van zeggen: Nee! Ik ga hier niet in mee.

Sommige mensen schoppen om zich heen, slaan van zich af. Misschien omdat ze zelf gekwetst zijn.

Ik schrijf, en daarbij heb ik een leidraad – een typering die ik las over het werk van Denis Johnson, een schrijver die ik erg bewonder. De regel hangt niet aan de muur boven mijn bureau en kleeft ook niet op een post it aan mijn laptop; hij licht op in mijn brein wanneer ik schrijf:

TO KISS THE BROKENNESS THAT WE SHARE


Die klootzak denkt dat hij ons wel aankan, zei mijn vader.

De beginzin van dit stukje komt van een andere bijzondere schrijver, David Vann,
uit zijn roman GOAT MOUNTAIN (p. 236).

Categorieën
beginzin

KOUD

Haar voeten waren koud. Er was niemand om ze aan te warmen. Geen benen naast haar. Geen benen om mee in de knoop te raken. Geen schenen om tegen te schoppen.

Ze probeerde haar voeten warm te wrijven met haar handen. Net als toen ze een jonge vrouw was. Eigenlijk mocht ze toen niet over haar voeten wrijven. Je mocht jezelf niet aanraken. Iemand anders mocht het zeker niet, over haar voeten wrijven. Maar Jezus waste de voeten van zijn leerlingen, en liet een vreemde vrouw zijn voeten kussen.

Twaalf jaar lang was zij een bruid van Jezus geweest. Ze had lang getwijfeld voor ze bij hem wegging. Sindsdien deed ze niet meer aan twijfel. Ze vond een man. Hij warmde haar voeten en schonk haar een kind.

Haar voeten waren koud als was het winter. Ze dacht aan de winters van vroeger. Aan te voet door de sneeuw naar school. Aan de dichtgevroren rivier, waar ze niet op mochten van vader. Denk erom, je waagt het niet!

Ze moest plassen. Zittend op de rand van het bed trok ze antislipsokken aan.

Haar voeten waren koud.

Marian Engel, BEER (p.28)

Categorieën
beginzin

VANAF VANDAAG BEN IK MOEDIG EN OP MIJN HOEDE

Ook al zou je me de weg versperren, ook al zou je in mijn ogen kijken, ik loop je voorbij, langs een afgrondrand nog dunner dan een haar.

Ik zal je nog vaak tegenkomen met je knipperogen. Kom maar op. Ik vreet bliksemstralen. Ik wijk niet van mijn pad. Voor niets en niemand. Voor geen man, voor geen vrouw. Voor geen golf, voor geen zee. Voor geen geld, voor geen goud. Voor geen millimeter.

Ja. Er zullen dagen komen. Ze zullen gaan lopen, rennen, fietsen. Ze zullen gaan rolschaatsen, en vallen. Ze zullen gaan voetballen, en verliezen. En ik zal putten dempen en wonden likken.

Ze zullen stiekem roken, te laat thuiskomen, of niet. Ze zullen gekwetst worden. Hun harten zullen breken. Ze zullen verdrietig zijn. Wanhopig. Ik zal duizend doden sterven. De hemel afspeuren naar vallende sterren en de scherven bij elkaar vegen.

Ze zullen dromen. Ze zullen opstaan en de deur uitgaan. Ze zullen gaan. Ik zal ze brieven sturen met bankbiljetten en goede raad. Ik zal misschien te veel, en bang zijn dat ik niet genoeg. Ik zal niet slapen, en ik zal slapen en van ze dromen. Ik zal oud worden en ouder. Ik zal niet meer langs een rand kunnen lopen. Maar haal je niks in je hoofd. Ik zal altijd zijn wat ik vanaf nu ben. Een moeder.

Ook al zou je me de weg versperren, / ook al zou je in mijn ogen kijken, / ik loop je voorbij, langs een afgrondrand nog dunner dan een haar.

Wisƚawa Szymborska, LANDSCHAP (uit de dichtbundel Einde en begin, p.102)

Categorieën
beginzin

VLAG

Rond drie uur in de ochtend werd ik wakker door geschreeuw op straat. Een harde knal, vlak onder ons raam. Daarna voetstappen, wegrennende mensen. Mijn hart sloeg snel. Ik had de indruk dat T. ook wakker was geworden van het geluid, maar hij sliep alweer. Ik bleef liggen luisteren en begon me voor te stellen dat er iemand op straat lag, gewond, voor ons huis, en ik bedacht dat ik dan iets moest doen (om te beginnen iets áándoen). Er kwamen mensen voorbij, luidruchtig als in alle uitgaansnachten. Niks aan de hand. Na een tijdje viel ik weer in slaap.

De volgende ochtend was de vlag verdwenen. Die had ik een paar weken eerder samen met A. uitgestoken, ’s avonds om een uur of elf, in het licht van de lantaarnpaal. We probeerden het eerst met de huishoudtrap, maar zelfs staand op het plateautje kon A. de vlaggenstok niet in de houder krijgen. Dus haalden we de ladder erbij, schoven die uit, zetten de grendels vast en plaatsten hem tegen de voorgevel. A. klom omhoog met de vlag, een grote. Ik maakte een foto en hield daarna weer de ladder vast voor het laatste stuk, waarbij A. die vlag echt hoog moest optillen en het spannend vond, en het lukte. De vlag hing uit voor “ons kind”, zoals A. en ik hem soms noemen op momenten van bijzondere betekenis, zoals dit moment.

Mijn zoon, A.’s broer, had zijn vwo-diploma gehaald. Dat is natuurlijk een mijlpaal, een bijzonder moment – je hebt iets afgerond, en niet zomaar iets; een flinke klus, een meerjarenproject (zeven, uiteindelijk) – en het betekent meestal ook een overgang naar een ander leven. Studeren, uit huis gaan, op kamers.

Ik had nog nooit de vlag uitgestoken. Wel uit het raam gehangen, vijf jaar eerder, toen A. was geslaagd. Maar pas sinds we in dit huis wonen was er een vlaggenhouder tegen de gevel, en op zolder stond een grote vlag, opgerold rond de houten stok, en nu was er het moment om voor het eerst echt de vlag uit te steken.

De harde knal midden in de nacht was waarschijnlijk niet het loskomen van de houder uit de muur, maar het breken van de stok. Het witte plastic dat eromheen zat, lag in stukken op de stoep. De rest was weg: vlag, stok en houder. Ik raapte het plastic bij elkaar en gooide het achter het huis in de container.

Het was niet de laatste keer dat er iets vernield werd door langstrekkend uitgaanspubliek. Ik werd nog eens wakker van zo’n zelfde geluid. Dat was het doormidden breken van een schuttingplank van onze tuin. We wonen aan een fietsstraat, tegen het centrum aan, en begrijpen dat dat regelmatig een hoop herrie met zich meebrengt, vooral van mensen die ’s nachts met flink wat drank op vanuit de kroeg naar huis gaan. Daarbij wordt hard gepraat, gejoeld, gezongen en geschreeuwd. Gelukkig slapen wij daar meestal doorheen. Alleen als er iets van het huis gesloopt wordt, word ik wakker.

Dat die vlag van de gevel werd getrokken is nu een jaar geleden. L. woont en studeert inmiddels in een andere stad. Terwijl ik dit schrijf, zit hij met zijn studiegenoten in de bus naar Ljubljana. Ik stuurde hem een afbeelding van de vlag van Ljubljana. Hij wist niet wat het was. Als ik de vlag van Slovenië had gestuurd, had hij het gegarandeerd wel geweten. Hij had als kind een vlaggenspel, en binnen de kortste keren kende hij de vlaggen van alle landen van de hele wereld uit zijn hoofd.

Rond drie uur in de ochtend werd ik wakker door geschreeuw op straat.

Denis Johnson, DE NAAM VAN DE WERELD (p.56)