Categorieën
beginzin

VLAG

Rond drie uur in de ochtend werd ik wakker door geschreeuw op straat. Een harde knal, vlak onder ons raam. Daarna voetstappen, wegrennende mensen. Mijn hart sloeg snel. Ik had de indruk dat T. ook wakker was geworden van het geluid, maar hij sliep alweer. Ik bleef liggen luisteren en begon me voor te stellen dat er iemand op straat lag, gewond, voor ons huis, en ik bedacht dat ik dan iets moest doen (om te beginnen iets áándoen). Er kwamen mensen voorbij, luidruchtig als in alle uitgaansnachten. Niks aan de hand. Na een tijdje viel ik weer in slaap.

De volgende ochtend was de vlag verdwenen. Die had ik een paar weken eerder samen met A. uitgestoken, ’s avonds om een uur of elf, in het licht van de lantaarnpaal. We probeerden het eerst met de huishoudtrap, maar zelfs staand op het plateautje kon A. de vlaggenstok niet in de houder krijgen. Dus haalden we de ladder erbij, schoven die uit, zetten de grendels vast en plaatsten hem tegen de voorgevel. A. klom omhoog met de vlag, een grote. Ik maakte een foto en hield daarna weer de ladder vast voor het laatste stuk, waarbij A. die vlag echt hoog moest optillen en het spannend vond, en het lukte. De vlag hing uit voor “ons kind”, zoals A. en ik hem soms noemen op momenten van bijzondere betekenis, zoals dit moment.

Mijn zoon, A.’s broer, had zijn vwo-diploma gehaald. Dat is natuurlijk een mijlpaal, een bijzonder moment – je hebt iets afgerond, en niet zomaar iets; een flinke klus, een meerjarenproject (zeven, uiteindelijk) – en het betekent meestal ook een overgang naar een ander leven. Studeren, uit huis gaan, op kamers.

Ik had nog nooit de vlag uitgestoken. Wel uit het raam gehangen, vijf jaar eerder, toen A. was geslaagd. Maar pas sinds we in dit huis wonen was er een vlaggenhouder tegen de gevel, en op zolder stond een grote vlag, opgerold rond de houten stok, en nu was er het moment om voor het eerst echt de vlag uit te steken.

De harde knal midden in de nacht was waarschijnlijk niet het loskomen van de houder uit de muur, maar het breken van de stok. Het witte plastic dat eromheen zat, lag in stukken op de stoep. De rest was weg: vlag, stok en houder. Ik raapte het plastic bij elkaar en gooide het achter het huis in de container.

Het was niet de laatste keer dat er iets vernield werd door langstrekkend uitgaanspubliek. Ik werd nog eens wakker van zo’n zelfde geluid. Dat was het doormidden breken van een schuttingplank van onze tuin. We wonen aan een fietsstraat, tegen het centrum aan, en begrijpen dat dat regelmatig een hoop herrie met zich meebrengt, vooral van mensen die ’s nachts met flink wat drank op vanuit de kroeg naar huis gaan. Daarbij wordt hard gepraat, gejoeld, gezongen en geschreeuwd. Gelukkig slapen wij daar meestal doorheen. Alleen als er iets van het huis gesloopt wordt, word ik wakker.

Dat die vlag van de gevel werd getrokken is nu een jaar geleden. L. woont en studeert inmiddels in een andere stad. Terwijl ik dit schrijf, zit hij met zijn studiegenoten in de bus naar Ljubljana. Ik stuurde hem een afbeelding van de vlag van Ljubljana. Hij wist niet wat het was. Als ik de vlag van Slovenië had gestuurd, had hij het gegarandeerd wel geweten. Hij had als kind een vlaggenspel, en binnen de kortste keren kende hij de vlaggen van alle landen van de hele wereld uit zijn hoofd.

Rond drie uur in de ochtend werd ik wakker door geschreeuw op straat.

Denis Johnson, DE NAAM VAN DE WERELD (p.56)